• Comments:1

Jan Doedel

Jan Doedel verdient kans.

 

Onze zoon is inmiddels 15 jaar en zit in het derde jaar TTO/VWO. Dat wil zeggen dat hij VWO tweetalig onderwijs volgt, met als tweede taal Engels.

Alle vakken, met uitzondering de taalvakken, worden in het Engels aangeboden en ook de leerling dient deze lessen in het Engels te spreken en te schrijven.

Dat vinden wij ouders dus knap van hem. Het is ook een slimme jongen. Toen hij nog peuter was, werd al geregeld ons op het hart gedrukt, een heel wijs mannetje in ons midden te hebben.

Zelf waren we er altijd nuchter onder. Het was ons eerste kind en bleef ons enig kind.

Bewijs- of vergelijkingsmateriaal hebben we nooit gekregen in die zin.

We hebben ons altijd erg bescheiden opgesteld als er ons weer eens een opmerking werd toegespeeld hoe een slim kind wij hadden.

Gaandeweg zijn schoolloopbaan kwamen er, naast de bevestiging van zijn cognitieve intelligentiequotum , ook andere kwaliteiten ( lees: karaktertrekjes) van zoon-lief bovendrijven.

Ze werden zowat elk oudergesprek, alle jaren, wel benoemd door de desbetreffende leerkracht van dat schooljaar.

Ik noem even wat kernwoorden: vaatje buskruit, ad-rem, stellend, bepalend, te overtuigend, aanwezig, krachtig, daadkrachtig, gefocust, ruimte innemend.

Nog voor zijn achtste jaar werden deze kernwoorden gematigd toegelicht.

Onze Jan ( die ik even voor nu deze naam geef) was altijd al, tot op heden, een -klein van stuk- manneke. Tenger, grote bruine ogen, innemend, met het hart op de goede plaats. Gevoelig, invoelend, sociaal betrokken, lief, meedenkend, opkomend voor de zwakkere, zowel sociaal als cognitief, hulpvaardig.

Er werd dan ook meestal gelijkwaardig aandacht besteed aan ook deze kwaliteiten ( lees: karaktereigenschappen).

Na je achtste wordt het echter anders.

Alsof het een maatschappelijk fenomeen moet zijn dat een kind dan meteen in de volwassen schaalberekening behoort te vallen, voor wat betreft het onder de loep nemen van zijn eigenheid. Oftewel: eigenaardigheden.

Zijn lichaamslengte speelt tot op heden mee in zijn omgang met op dit moment, puberende opgroeiende medeleerlingen c.q vriendjes en vriendinnetjes en de volwassen wereld om hem heen.

Het mag geen excuus zijn meer blijkbaar, maar toch, als moeder zijnde, neem ik dit punt graag voor nu even mee in mijn verdere verhaallijn.

Als een zeer ervaren leerkracht zelf ben ik niet geheel vrij van enkel mijn moedergevoelens en emoties die mee zouden kunnen spelen. Ik weet hoe leerkrachten ook hun kwaliteiten benutten…. Lees: karaktereigenschappen.

In dit geval is dit niet zoveel anders dan de kwaliteiten die een kind na zijn achtste, en nog op de weg naar volwassenheid,  ontwikkelt.

Dat voor nu terzijde.

Ik kom terzake. Dit intro was even nodig.

Onze Jan in 3 VWO dus nu.

Hij leert heel gemakkelijk, denkt graag mee en vooruit, wilt evenzo graag voorkomen dat hij mogelijk slachtoffer kan worden van een slecht cijfer wanneer er een groepsopdracht is ; een presentatie samen uitwerken en voordragen, een samenvatting samen voorbereiden om uiteindelijk een gemeenschappelijk  cijfer hiervoor te krijgen als groep, dat voor ieder groepslid meetelt in de eindresultaten.

Op die momenten vooral wordt onze Jan erg actief en houdt de touwtjes graag in eigen handen, teneinde te voorkomen dat één van zijn  groeps- medeblagen, mogelijk gaat verzuimen om juist nu iets harder te werken dan gebruikelijk is voor een huiswerkopdracht.

Jan heeft het overzicht, ook al begint hij graag wat laat. Maar dat zet hem allerminst onder druk. Sterker nog, die tijdsdruk geeft hem vleugels! Hij werkt als een tierelier aan zijn presentaties, groepsopdrachten e.d. En hij regelt over het algemeen de digitale communicatielijnen (via  whatsapp-groepschat etc.)

Zijn vader zet deze voortvarende houding van zijn zoon maar al te graag onder de noemer: leider in de dop.

Op school werkt dat iets anders. Ook deze week weer. Het regent pijpenstelen. Ik breng hem met de auto.

Ik moet toch nog wat boodschappen doen, gaat in een moeite door. ” Ik ben om drie uur uit”, zegt hij bij het uitstappen. En voegt eraan toe:” Hoofd!”

Dat wil zeggen: Hoofdgebouw. Daar komt hij dan uit. Kan namelijk ook ‘Deep’ zijn. Dat betekent dan ‘Dependance’.

Hoofd dus vandaag.

Als ik tien voor drie mijn jas aantrek om hem op te gaan halen, gaat juist de telefoon over. Ik kijk en zie een onherkenbaar nummer. Ik twijfel. Wel of niet opnemen.

Ik neem op. Aan de andere kant hoor ik een vrouwenstem. Het blijkt de mentor te zijn van Jan’s klas.

En dan begint het. En niet een van de eerste keren. Wat ik al zei. Zowat elk jaar mag ik zo’n soortgelijk telefoontje krijgen van wel een leerkracht, mentor of welk ander personage aan een school verbonden.

Ik ben niet achterlijk. Ik kan optellen. 1+1=2. In dit geval Jan en de mentor nu. Gaandeweg het verslag dat mij wordt gegeven aan de andere kant van de lijn, wordt me duidelijk dat 1+1 voor nu niet 2 is maar 13.

13 voor Jan, ongeluksgetal

2 voor de mentor.

De mentor zal wel gelijk hebben. Ze is niet voor niets mentor, volwassen, opgeleid, en ook nog eens de juf van Engels.

Het gesprek ging zo: Ik bel u even. Er is iets voorgevallen in de klas en dat wil ik toch even met u aankaarten.

Ik zwijg, hum even op mijn beurt enkel. Als moeder zijnde weet ik ‘genoeg’. Het riedeltje van een van onze Jan’s kwaliteiten zal wel weer afdraaien nu en niet in positief uitgelegde bewoordingen. En ik ben als moeder, (en manlief als zijn vader) inmiddels ervaringsdeskundige als het gaat om ‘versneld schakelen’ dus niet impulsief reageren of in verontwaardiging uit te barsten. Overigens is ook dit mij niet vreemd. Ik was uiteraard ook ooit in mijn puberteit behept met deze kwaliteit die onze Jan heeft, tot helaas jaren daarna, maar heb mij er naar jaren worstelen onderuit weten te werken.

De mentor vervolgt: ” Ik besprak met de leerlingen het studiegedrag dat zich momenteel onvoldoende laat zien in de groep als ik toetsen beoordeel. Ik spreek zoals u weet in het Engels tot de groep. Ik wilde aangeven dat ik mijn leerlingen graag mag maar dat ik deze studiehouding van hen momenteel echt vervelend vindt en dus wilde ik dat meedelen aan de groep. Ik begon dus met het zeggen van: I like you… Dus : ik geef om jullie, ik mag jullie graag maar… En dan wilde ik zeggen: I

But….I don’t like the behaviour you are all showing me at this moment.

Maar dat kon ik niet meer zeggen Mevrouw. Want toen ik zei: I like you…vulde Jan meteen in: I hate you! En u begrijpt dat ik toen wel meteen hierop reageerde!  Ik vroeg dus aan Jan: Dat is nogal wat Jan wat jij daar mij zegt. Dan wil ik wel eens weten waarom jij mij haat! Daar wist hij geen antwoord op. Hij zei zelfs: Het was maar een grapje!!! Nou mevrouw, dergelijke grapjes vind ik géén humor.

Dat begrijp ik, antwoord ik nu. In die context gezien is dit een zeer ongepast en respectloos antwoord. Exact, gaat de mentor verder. En daar bel ik u over want ik maak me nu toch wel zorgen om Jan’s sociale afstemming naar anderen.

(Het ging nu dus niet meer over Jan’s sociale afstemming naar de juf Engels maar meteen maar zijn afstemming naar de hele maatschappij)

En dus zeg ik: U voelde zich terecht aangevallen.

Even was het stil aan de andere kant van de lijn. “Jan voelt zich snel aangevallen, antwoordde de mentor, als ik hem aanspreek op dit gedrag.”

“Ook, zeg ik, dat klopt. Jan heeft een kort lontje, dat herkennen wij zeker wel. Maar zoals ik zei en wil aangeven: Jan heeft absoluut zeker te weten niet de bedoeling gehad deze opmerking/invulling persoonlijk naar u te richten.”

“Maar dat deed hij wel”, antwoordde de mentor hierop snibbig. “Hij antwoordde namelijk met I hate YOU!”

“Absoluut, zei ik. U begon namelijk met: I like you but….. En Jan denkt versneld, zeg ik, dus maakte het ineens af met deze tekst. Niet omdat hij dit naar U bedoelde maar dat dit mogelijk U tekst zou zijn die er nu op zou gaan volgen!!”

(Ik wist gewoon dat het deze gedachten waren geweest bij hem en dat dit hem tot deze impulsieve uitspraak heeft gebracht. En ja, dat is dan inderdaad toch best ‘grappig’? Niet om je te bescheuren maar als je het in deze context plaatst dan heeft het niets van doen met het persoonlijk hebben willen kwetsen van zijn mentor!)

Dit zeg ik echter niet. Ik laat de mentor zelf denken.

Maar de mentor laat mijn uitleg over Jan’s kwetsende en respectloze tekst naar haar links liggen tijdens dit gesprek en gaat na een stille korte adempauze verder.

“Daarna, zo zegt ze weer, is er nóg wat gebeurd. Jan’s groep had Aardrijkskunde en daar werd een presentatie gegeven in de groep door een van de leerlingen.”

“Oh ja”, antwoord ik nu, “dat heeft Jan vorige week moeten doen. Dat heeft hij al gedaan. Had hij een 8 voor”, zeg ik er trots achteraan.

“Oh”, zegt de mentor. “Maar vandaag heeft Jan weer zijn moment gepakt. Hij heeft een jongen uit zijn presentatie-groepje voor de hele klas te kakken gezet.”

(Oh mijn God, denk ik, nou dit weer.)

“Want?”, vraag ik nu.

“Want?”, herhaalt de mentor mijn vraag. “Want hij vond het nodig om te moeten zeggen dat Hij (!) alles alleen gedaan had voor de presentatie en dat Piet helemaal niets had aangedragen. U begrijpt dat Piet enorm aangeslagen reageerde. Piet had gezegd dat hij anders de whatsapp-berichtjes wel kan laten lezen aan de leerkracht Aardrijkskunde waaruit zou blijken dat Piet wel degelijk zijn bijdragen had geleverd.”

(Ik merk op dit moment dus bij mezelf een lichte vorm van Jan’s kwaliteit naar boven te voelen borrelen….Geïrriteerd, licht ontvlambaar, impulsief…Maar mijn volwassenheid weet mij in bedwang te houden en tot nu nog te zwijgen. Laat de mentor nu haar verhaal vooral afmaken….)

“En toen?”, vraag ik.

“Toen heeft de leerkracht hen apart genomen na de les en gevraagd wat er nu waar is van wat Jan zegt over Piet. Zij wilde de whatsapp-berichtjes echter niet lezen maar toen kwam de aap uit de mouw dus”, hoor ik de mentor aan de andere kant van de lijn mij nu zeggen. “Jan schijnt dus gewoon de aangeleverde woordjes van Piet te hebben veranderd! Want Jan vond ze niet goed genoeg en zijn woordjes beter! Dat kan dus écht niet! Dat begrijpt u toch wel?! Jan moet beter samenwerken en leren dat ook een ander zijn inbreng mag hebben!! En niet meteen zijn zin doordrammen en alles wat hij vindt beter vinden dan wat iemand anders aandraagt.”

“Oke, zeg ik nu, tergend langzaam, want bij mij is nu de grens bereikt naar de mentor. En ook naar Piet. En naar de leerkracht Aardrijkskunde. Dat zal ik zo toelichten.

“Allereerst”, zo neem ik nu eindelijk het woord over, “sta ik in dit verhaal volledig achter Jan. We zijn er zelf getuige van geweest hoe die zogenaamde bijdrage van Piet is geweest en hoe de communicatie met hem is verlopen. Jan zat naast ons toen hij dit communiceerde. En dat was nauwelijks een communicatie te noemen. Jan heeft herhaaldelijk aan Piet ge-appt of hij zijn bijdragen aan wilt leveren. Piet heeft geantwoord dat hij ‘vijver’ heeft waarop Jan, -na drie keer dit antwoord te hebben gekregen- al zuchtend naar ons heeft gesproken: ” Daar valt toch niet mee samen te werken. En dan dat ‘vijver!!’. Hij weet niet eens hoe hij Pfeiffer schrijven moet. 3-VWO!” Jan heeft uiteindelijk van Piet zes woordjes ontvangen. Dat moesten kernwoorden zijn volgens de opdracht. Volgens Jan sloegen de woorden kant noch wal. Dat heeft hij terug gecommuniceerd naar Piet en opnieuw gevraagd dit nog eens goed na te kijken. Piet schreef terug dat hij nu weg moest, naar de winkel. En dat was de enige communicatie en bijdragen die Piet heeft gegeven naar Jan. Dus als Piet de whatts-app berichtjes aan de juf Aardrijkskunde wilt overleggen, dan juich ik dat van harte toe!”, besluit ik mijn betoog naar de mentor.

“Oke”, zegt de mentor mij nu,”ik ben ook zo perfectionistisch, dat herken ik wel. Maar dat Jan dat zo ten overstaan van de klas zegt, kan niet de bedoeling zijn. Dat is ongepast!”

(Inmiddels gaat mijn mobiel al ettelijke malen over. Ik zie op mijn horloge dat het nu 15.10 is. Ik hang dus al een kwartier over deze kwesties met de mentor aan de telefoon en Jan staat dus buiten op mij bij het ‘Hoofd’ te wachten. Dat zeg ik de mentor en ik stel dan ook voor dit gesprek af te ronden.)

In de auto bel ik mijn man en vertel kort en bondig over het telefoongesprek. Zoon staat inderdaad al buiten en lacht me opgewekt toe. “Hoihoi”, roept hij, en hengelt zijn zware rugtas in mijn auto en neemt naast mij plaats. “Je bent laat moeders,” zegt hij. Ik vertel hem enigszins mopperend over het zojuist gekregen telefoontje. Als ik opzij kijk naar hem ontdek ik geen spoortje paniek  of verontwaardiging. Eerder totale verbazing. That’s my son, denk ik nu. Van geen kwaad bewust.  “Oh dat?,” grinnikt hij. “Dat was maar een grapje joh,” ik bedoel dat toch niet naar haar persoonlijk, dat ‘I hate you’!”   “Nee, antwoord ik geërgerd, dát is een slim grapje!!!” “Dat is dus géén grap! Je snapt toch dat een ander dat niet als grap opvat!,” roep ik geïrriteerd uit . “Ja maar mam,” begint hij, ” ik v u l d e haar zin aan!!!!!”  Dát was de tegenstelling die zij zou gaan zeggen!!!,” roept hij nu ook terug naar mij.

“Ben jij de juf? Had ze jou gevraagd om hulp? Ben jij aangesteld als haar assistent?”, antwoord ik gevat. Ik neem alvast maar het leerkracht-gedrag aan. Want uiteindelijk komen we daar toch op uit in dit gesprek. “Nee,” zegt hij bedrukt. “Maar sjee zeg,” ik mocht het ook niet eens uitleggen mam!” “Nee, het behoeft geen uitleg voor zo’n juf nee,” mopper ik, ” de uitleg zat al helder in je zinnetje …I hate you..” “Niet p e r s o o n l i j k!”, geeft zoon weer terug. (Jan’s Kwaliteit: overredingskracht, gerechtigheid.)

“I know”, zeg ik kort, “but she don’t”. Jan zucht diep. Even is het stil. Dan zeg ik: ” Aardrijkskunde? Juf Rotjeknor???” “Heeft die ook geklaagd dan?,” vraagt hij me. “Bij de mentor. Ook daar is wat voorgevallen.” “Wat dan?”

“Wat dan!!!?,” “Wat dan??” “Jij hebt Piet afgezeken voor de hele groep Jan! Dat jij heel de presentatie alleen hebt gedaan en hij niets heeft aangedragen!” “Dat is niet afzeiken,!” Dat is waarheid,” antwoordt Jan. “De waarheid kan je ook anders verpakken en op een ander moment en niet ten overstaan van de hele groep,!”

“Rotjeknor gelooft me toch nooit. Ik heb haar nog gezegd dat ik de woorden verbeterd heb want dat waren geen kernwoorden. Maar dat wuifde ze meteen weg. Ik had zijn woorden moeten accepteren. Ik kon niets meer uitleggen verder want daar hield het mee op. Dat was dat zogenaamde gesprek mam, niets meer dan dat!” “Je was er toch zelf bij dat Piet steeds begon met zijn ‘ik heb vijver denk ik’!!” “En toen ging hij weg want hij moest naar de winkel! Niks meer gehoord van hem nadien! Moet ik dan een onvoldoende halen omdat die lullo nooit eens op tijd mee wil werken. Over samenwerking gesproken!! En dan zegt Rotjeknor dat IK bepalend ben! Ja, dat ben ik dan ja. In het begin van het jaar had ons groepje een één en je weet toch nog wel waarom? Ik had me verdomme in het zweet zitten typen, alles uitgeprint, in zo’n zichtmapje gedaan omdat de rest weer eens geen werkende printer had, en Piet had geen ene moer aangedragen want hij was weer eens ziek thuis geweest, zoals altijd voor een toets of presentatie trouwens…En omdat hij dus niets wist te vertellen met de presentatie heeft het hele groepje een één gekregen! Weet je hoe dat dit je gemiddelde cijfer omlaag haalt en hoeveel toetsen er nodig zijn om je punt weer naar een voldoende op te halen!!”

Jan heeft in moeders ogen simpel g e l i j k.

Ik zeg dat niet nu. Ik zwijg. Die volwassenheid weet je wel. Ik kan dit hanteren. Jan is puber. De hormonen gieren door zijn lijf. Rotjeknor is naar mijns inzien volwassen en de menopauze wellicht voorbij. Mocht dit toch nog wel meespelen dan schieten kennelijk ook haar hormonen de lucht in bij tijden. Die tijden als Jan les van haar heeft.

Mevr Rotjeknor . Ze komt uit Rotterdam. Heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Is ‘knorrig’ trouwens ook.  En dat kunnen wij, ouders van Jan weten, na een eerder incident, waarbij met deze leerkracht Aardrijkskunde, dit besproken is.  En waarin zij aangaf  ‘nu eenmaal als Rotjeknorbewoner’ ‘ geen blad voor de mond te nemen’, eraan toevoegend dat zij zich wel mateloos irriteert aan Jan, die geen blad voor zijn mond schijnt te nemen wanneer hij vindt dat zij hem niet goed qua houding in haar Aardrijkskundeles beoordeelt. De vader van Jan, normaliter toch een man die langdurig uithoudingsvermogen kent naar allerlei typen mensen, vond dat bij hem ook nu een grens werd geraakt. Hij stond erop destijds met mevr. Rotjeknor én zijn zoon (maar zónder zijn vrouw, uit verantwoord oogpunt bezien beter), een persoonlijk gesprek aan te gaan.

Het geschiedde. Jan moest van zijn vader zijn bevindingen en zijn gevoel opschrijven met betrekking tot de verstandhouding tussen hem en Mevr. Rotjeknor. Dat deed Jan binnen vijf minuten. Wij waren verbaasd, zo snel onze Jan. Hij had zelfs een lijstje gemaakt van maar liefst zeven punten die er niet om logen. Jan had behoorlijk zijn hart op de tong. Jan nam inderdaad geen blad voor de mond. Jan had zo een Rotjeknorbewoner kunnen wezen. Maar dat was Jan niet. Dit was simpelweg die leuke kwaliteit van Jan waar hij zo om werd gewaardeerd voor zijn achtste jaar. Dit maakte dat mensen toen al zeiden dat Jan zo goed al kon benoemen wat hij opmerkte, zag en voelde bij de anderen om hem heen. En dat Jan zelfs een bepaalde hooggevoeligheid zou kunnen bezitten!

In het gesprek tussen Jan, Mevr Rotjeknor en de vader van Jan, mijn echtgenoot dus, kreeg de leerkracht als eerste het woord. Wij zijn heel ruimtegevend.

De leerkracht Aardrijkskunde had voorafgaande aan haar gesprek, haar grote brilmontuur eens herhaaldelijk hoger op haar neusbrug geplaatst.

Zij vertelde:

Jan was te aanwezig. Verbeterde haar bij Aardrijkskundige uitleg-momenten van haar aan de klas gericht. Jan sprak haar tegen en dat vond zij erg irritant aan Jan en ook dat hij daarmee haar leerstof, waar zij notabele voor is opgeleid , in de twijfel trok ten overstaande van de gehele groep. Dat pikte zij niet van Jan en dat moest Jan toch maar begrijpen. En dat Jan klein van stuk was, moest tevens niet het excuus zijn, om dat dan maar met een grote mond te compenseren!

Hierna vroeg Jan’s vader of Jan nu ook zijn punten naar voor mocht brengen zodat ze samen naar een oplossing konden toewerken. Ook gaf vader meteen aan dat het tevens opvallend was dat Jan sinds twee maanden onder het cijfer 5 scoorde bij toetsen, en hij thuis de leerstof toch uit en treuren naar zijn ouders heeft opgedreund, met onderbouwing en diepgang en al!

Vorig jaar was Jan met een dikke acht overgegaan naar dit derde leerjaar en dit jaar stond hij een vier gemiddeld. Dat is op zijn minst best raar, verzekerde manlief haar.

De bril werd hoger gezet op de neusbrug.

En Jan had voorgelezen. Zijn 7 punten.

  1. Ik zit vooraan in de klas, tegen uw bureau aan. U ziet alles van mij. Ik begrijp niet dat u dan toch andere dingen zie die ik zou doen dan dat ik doe.
  2. Wanneer degene die naast mij zit mij aanstoot en mij wat vraagt, wordt u boos op mij. U roept dan door de klas heel hard mijn naam. En u zegt altijd: ” Jan, don’t disturb my lesson anymore!” Dat begrijp ik dan niet. Ik stoorde niet. Dat deed mijn naaste buurman. Ik had nog niet kunnen reageren. U zag dat en toch krijg ik er van langs.
  3. Als u iets op het bord schrijft over Aardrijkskunde, wil ik er wat aan toevoegen. Ik kijk heel veel op Sky Channel en Geografic World enzo en weet best veel over de wereld. Maar als ik dat dan doe of mijn vinger opsteek, geeft u mij geen kans en negeert u mij. U wordt altijd boos op mij. Dan roept u: ” No Jan! You have to listen to me!!! I don’t want to hear you! Don’t speak to me!!”
  4. Als heel de klas moet lachen om iets, word ik eruit gestuurd omdat ik (ook) lach. U roept dan door de klas: ” Jan, you!!! To the corridor!!!” Dan wil ik vragen waarom ík eruit moet want heel de klas lacht onbedaarlijk hard maar ik moet naar de gang. Maar ik mag niets vragen.
  5. Als ik een vraag heb met betrekking tot een aankomende toets of iets wat u in de les verteld, dan roept u door de klas; ” Jan, keep your mouth!! No questions!! I don’t want any question of you! You have to listen to me!”
  6. Mijn laatste toets-cijfers zijn onvoldoende. Deze cijfers hebben mijn gemiddelde naar beneden gehaald. Als ik aan u dan vraag of ik mag weten wat ik dan fout heb gedaan en of ik de toets mee naar huis mag nemen dan wordt u kwaad. Dan roept u boos uit: “You have to believe me!!! You do not ask me these questions!! Don’t do that anymore! I am the teacher and I know what you have done, right?!?”
  7. Mijn gevoel is dat u mij niet mag. Dat wat ik ook doe altijd verkeerd is. Ik mag geen vragen stellen. Ik moet altijd zwijgen. Als ik zwijg, ben ik lui geweest in de les en heb ik niet meegedaan maar als ik wel meedoe en actief mee wíl doen, moet ik naar de gang omdat ik te bepalend u lessen wil bekritiseren. Ik hou van Aardrijkskunde. Het is altijd mijn beste vak geweest. Ik word nu ook achterdochtig en heb geen vertrouwen inderdaad dat u oprecht mijn toetsen goed beoordeelt want ik mag ze nooit weer inzien. Ik wil zo graag de laatste maanden nog mijn cijfer ophalen.

Sja. Dat bedoel ik dus.

Ik heb 25 jaar zelf voor de klas gestaan waaronder ook jaren in de directie gezeten, met leerlingen met autisme gewerkt en leerlingen met ernstige gedragsstoornissen. Ik mag nu mijn plaats eens even zonder die eeuwige eindeloze bescheidenheid van mij, opeisen.

Ik sta nu ‘aan de andere kant’ van het verhaal en als ook een brildragend persoon, heb ik tijdens dit mentor-gesprek ook mijn bril geregeld eens wat hoger op de neusbrug gezet.

Ik keek ineens dubbel zo anders zelfs. Door de bril van een moeder en door de bril van de leerkracht in mij.

Ik weet maar al te goed hoe je als leerkracht op een dag eens geïrriteerd kan raken door obstinate pubertjes en door verbeteraars die het, vaak ook nog eens juist op die momenten als je het niet wilt horen, het nog bij het rechte eind hebben ook!

Ik herinner mij tevens de oudergesprekken. Oh ja…helder voor de geest staan ze. Sommige onuitwisbaar zelfs. Ik ben ook maar een mens. De mentor ook. Mevr. Rotjeknor ook.

Maar als ik voor mijzelf spreek: Ik heb geleerd in de weg naar volwassenheid. Ik heb mezelf doorgewinterd aangeleerd, keer op keer, om zuiver op de graat te blijven. Eerlijk te blijven naar welk kind dan ook. En ik gebruikte graag humor! Dat breekt het gespannen lijntje, zeker als er enige vorm van een dreigend communicatieverschil aan diende!

Ik merkte anderzijds maar vaak genoeg de tegenstellende houding op van de volwassen leerkracht. Zoals dat zij zich aangevallen voelden, boos werden, sancties erop loslieten. Zonder enig doorvragen naar de leerling.

Het leverde voor dat moment inderdaad een stoppende strijd op tussen beiden maar die was dan wel gewonnen vanuit een machtsstrijd naar oplossingsgerichtheid.

Daarna was tevens de vertrouwensband geschaad. De leerling nam hierin als eerste een duidelijke afstand in. Dat kon twee kanten op.

1. Echte afstand, ingekeerd in zichzelf, verward, bang ook, faalangstig, niet meer gemotiveerd, passief.

Handig voor de leerkracht want de ‘last’ was immers nu voorbij en de rust weer wedergekeerd.

2.  Het gedrag vanuit de leerling vergrootte zich des te meer. Leerlingen werden erin meegetrokken om de juf of meneer nog meer te pesten. Ouders begonnen zich er nog meer mee te bemoeien en eindeloze discussie over ‘gelijk hebben’ in deze situaties, losten weinig op.

Nu gaat dit allemaal ook weer door mij heen.

Ik begrijp de leerkrachten, de mentor, ieder die zich mogelijk stoort, aan onze Jan, die vaak ‘te’ is en nog volop lerende staat in zijn weg naar volwassenheid.

Zijn lengte mag geen excuus zijn. Ook waar.

En zijn rappe tong moet geen compensatiegedrag zijn voor zijn frustratie dat hij de kleinste is van de klas en hij mag ook geen grote mond hebben, scheldkanonnen geven of fysiek iemand raken wanneer hij  ‘kaboutertje’ of ‘dwerg’ genoemd wordt .

Ook moet hij niet kinderachtig doen bij het omkleden in de kleedkamer van het gymlokaal en zich willen terugtrekken in een apart vertrek bijvoorbeeld. Want alle jongens zijn hetzelfde…

Dat is overigens in Jan’s geval wel een heel verschillend aandachtspunt maar dat terzijde? Jan’s vrienden hebben allemaal de baard in de keel, zijn volop aan ‘ de beharing’, anderhalve kop groter (!) dan Jan is, dus…Maar moet Jan wel snappen dat hij geen compensatiegedrag mag tonen?

Nee, ik begrijp het eigenlijk niet. En twee dagen na het telefoongesprek met de mentor begrijp ik het nog minder. Bij dezen: Mijn 7-punten lijst die ik wil inbrengen nu en die ik binnen vijf-minuten heb gemaakt. Zo snel, de moeder van Jan.

  1. Onze Jan is een ‘stikgoei manneke’!
  2. Onze Jan heeft het hart op de goede plaats.
  3. Onze Jan wilt niemand kwetsen want hij heeft een heel groot sociaal rechtvaardigheidsgevoel.
  4. Onze Jan is ervaringsdeskundige als het gaat om gepest worden, anders te zijn, niet serieus genomen te worden, als een Jan Doedel beschreven te moeten worden.
  5. Onze Jan is erg slim en heeft een hele brede kennis. Dit door het sterk opgekomen digitale tijdperk waarin hij urenlang informatie vergaren kan middels zenders als Sky Channel en Geografic World etc.
  6. Onze Jan huilt bij elk dierenleed.
  7. Onze Jan…Iedereen hield van dat slimme mannetje vóór zijn achtste jaar, begrepen hem, zagen wat zijn kwaliteiten waren, oordeelden niet, bleven allemaal objectief, vroegen oprecht door als ze hem niet begrepen, stimuleerden hem om voor zichzelf op te komen, droegen tips aan om juist zijn kennis en mond te gebruiken ter compensatie van  zijn lengte….(loopt twee jaar achter in zijn fysieke ontwikkeling -kinderarts-)

 

Sja. Volwassenen. Zij weten het?

 

Angelique wiens naam ‘Engelachtig’betekent :)